Lentis is in Nederland de eerste GGZ instelling die (naast het gebruikelijke reguliere aanbod) een
Centrum Integrale Psychiatrie heeft opgericht.
Dit centrum bestaat uit vier onderdelen: patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek, informatieverstrekking en opleiding.
RvB van Lentis
STIP
Patiëntenzorg
Onderzoek
Informatie verstrekking
Opleiding
Polikliniek IP & Sterpoli
Onderzoeksgroep
"De Middenweg"
1. Website
2. Consultatie
3. Jaarlijks congres IP
te Groningen
1. Workshops IP
en Mindfulness
2. Opleiding co-assistenten
artsen en psychologen
Zie ook:
www.centrumintegralepsychiatrie.nl
Polikliniek Integrale Psychiatrie
Patiëntenzorg wordt geboden binnen de polikliniek Integrale Psychiatrie. Hier wordt sinds een jaar ambulante geestelijke
gezondheidszorg geboden aan mensen die naast reguliere behandeling, belangstelling of voorkeur hebben voor complementaire en
alternatieve geneeswijzen of zingeving en spiritualiteit in de behandeling willen betrekken. De cliënten worden verwezen door
huisartsen of ambulante hulpverleners van Lentis die alleen een regulier aanbod doen en door hulpverleners van andere GGZ
instellingen. Ook komt het steeds vaker voor dat cliënten zich melden vanwege mond tot mond reclame.
Na aanmelding krijgt de patiënt een standaard vragenlijst
1 die onder meer gericht is op persoonlijke gegevens,
leefstijl, referentiekader en levensvisie, klachten en krachten, positieve en negatieve eigenschappen, behandelgeschiedenis,
kenmerken van probleemvrije perioden en behandelvoorkeur. De antwoorden op deze vragen vormen de leidraad voor de intake waar
de hulpvraag wordt vertaald in een behandelplan conform de Wet op de Geneeskundige Behandel Overeenkomst.
De behandeling volgt het principe van 'stepped care'. Wanneer het toestandsbeeld van de patiënt het toelaat, wordt eerst geprobeerd
het zelfhelend vermogen te optimaliseren. Dit gebeurt door oplossingsgericht werken, door het aanspreken van reeds aanwezige
gezondheidsbevorderende factoren en hulpbronnen en door patiënten groepsgewijs modules 'basisgezondheid'
2 aan te bieden.
Het gaat bij dit laatste om: gezond eten, bewegen en stressreductie (relaxatie en meditatie).
De tweede stap is reguliere, complementaire en/of alternatieve protocollaire (lees: procedureel gedocumenteerde) behandeling
gericht op klachtreductie. Bij een vaststaande reguliere diagnose wordt altijd de behandeling aangeboden die daar volgens de
geldende richtlijnen bij hoort. Daarbij blijven de principes van EBM gelden. De voorkeur van de patiënt, in combinatie met de
kennis en ervaring van de therapeut kan er bijvoorbeeld toe leiden dat niet voor de meest reguliere behandeling wordt gekozen,
maar voor een alternatief. Dit moet dan uiteraard wel een alternatief zijn waarvan de effectiviteit wetenschappelijk is
vastgesteld. Wil een depressieve patiënt bijvoorbeeld persé geen antidepressiva of cognitieve gedragstherapie, dan is ook
een goed sint-janskruid preparaat of een combinatie van visolie en hardlopen een optie. Wil een patiënt een complementaire of
alternatieve behandeling waarvan de effectiviteit niet is bewezen bij de klachten die hij heeft, dan wordt daarmee alleen onder
vier strikte voorwaarden akkoord gegaan (hiermee worden momenteel de eerste ervaringen opgedaan).
-
Ten eerste wordt de gewenste behandeling alleen gegeven wanneer de patiënt het combineert met een wetenschappelijk
bewezen effectieve behandeling. Wanneer de voorgestelde behandeling bewezen 'niet-effectief' is, dan is deze geen optie.
-
Ten tweede kunnen patiënten die kiezen voor een combinatiebehandeling voor het alternatieve of complementaire deel van hun
behandeling onder strikte criteria (tijdelijk) naar externe therapeuten worden verwezen die deel uitmaken van een netwerk
waarmee de polikliniek samenwerking tot stand brengt.
-
Ten derde wordt voor deelname aan dit netwerk hoge eisen gesteld aan de CAG therapeuten wat betreft kwaliteit en professionaliteit.
De criteria houden onder meer in dat de alternatief therapeut in kwestie lid moet zijn van een beroepsvereniging en volgens
hun professioneel statuut werkt, een dossier voert en een duidelijke klachtenregeling hanteert.
-
Ten vierde dient de alternatief therapeut deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek van Lentis naar de effectiviteit van
de uitgevoerde behandeling en in te stemmen met publicatie van de resultaten ongeacht de uitkomst 3.
Bij complexe problematiek, of wanneer er onvoldoende behandelresultaat is, dient nadere diagnostiek en/of verwijzing plaats
te vinden. De derde stap is daarom "super"specialistische GGZ. De patiënt wordt dan zo nodig verwezen naar een derde
lijnsinstelling of een gespecialiseerde afdeling van de GGZ.
1 Deze vragenlijst is op te vragen bij het CIP
2 Dit aanbod is gedeeltelijk nog in ontwikkeling
3 De volledige werkwijze is als “CAG protocol” verkrijgbaar bij het CIP
Wetenschappelijk Onderzoek
Omdat integrale psychiatrie een relatief onontgonnen gebied is, zijn de auteurs van mening dat deelname aan een integraal
psychiatrische behandeling vooralsnog altijd dient samen te gaan met wetenschappelijk onderzoek. Dit wordt georganiseerd
vanuit 'de Middenweg', een onderzoeksgroep waarin behandelaren, onderzoekers van Lentis en verschillende universiteiten,
studenten en participerende externe hulpverleners op het gebied van CAG samenwerken.
Voor de wetenschappelijke effectevaluatie van de geboden behandelingen worden verschillende methoden gebruikt. Het kan gaan
om gerandomiseerde en gecontroleerde studies (RCT's), maar ook om single case studies (n=1's). RCT's worden wel gerelateerd
aan het vaststellen van 'efficacy' (een relatie tussen de interventie en de uitkomst in ideale, gecontroleerde omstandigheden)
en n=1's aan 'effectiveness' (een relatie tussen de interventie en de uitkomst in klinische, naturalistische omstandigheden).
Een n=1 studie zegt het meest wanneer het na een succesvolle RCT wordt gedaan, dus wanneer de efficacy van een methode of
interventie al is vastgesteld (Ottenbacher & Hinderer, 2001). Een 'over het algemeen' werkzame behandeling blijkt dan ook
effectief in duidelijk door de resultaten van de n=1's omschreven bijzondere omstandigheden. Aan de andere kant kunnen n=1's
ook heel goed hypothesen genereren voor nieuw op te zetten RCT's. Wanneer een nieuwe interventie voorzichtig wordt
uitgeprobeerd bij een beperkt aantal personen (bijvoorbeeld in een ongecontroleerde pilotstudie) en lijkt te werken,
dan kan dat aanleiding zijn deze indruk vervolgens in een grotere groep onder gecontroleerde omstandigheden te onderzoeken.
Voor het Centrum integrale Psychiatrie zijn daarom de volgende richtlijnen ontwikkeld:
-
Er wordt gewerkt met 'Routine Outcome Assessment' (ROA). Alle behandelingen worden geëvalueerd met zes korte vragenlijsten
die gericht zijn op klachten, krachten, kwaliteit van leven, kosten van zorg, klanttevredenheid en keuze.
-
Alle onvoldoende onderzochte interventies zijn onderwerp van wetenschappelijke effect evaluatie;
-
Bij relatief nieuwe, onbekende of weinig beschreven behandelingen of behandelcombinaties wordt in principe begonnen
met n=1 studies, ongecontroleerde, of baseline gecontroleerde pilotstudies met kleine groepen;
-
De door deze studies gegenereerde hypothesen, kunnen daarna met een gecontroleerde studie worden getoetst;
-
De controleconditie kan bestaan uit een wachtlijst, een placebo-behandeling, of een behandeling die als standaard
is opgenomen in de officiële richtlijnen voor het behandelen van de betreffende stoornis;
-
Bij overtuigend 'evidence based' interventies is in principe geen nieuwe gecontroleerde studie nodig. Maar op persoonlijk
en contextueel niveau is het interessant om voortdurend te screenen of de interventie inderdaad het gewenste resultaat
oplevert. Zodra er een indicatie is dat de gerenommeerde behandeling bij bepaalde persoonsvariabelen of omstandigheden
niet werkt, kunnen n=1 studies worden gestart om te achterhalen welke factoren het onderscheid maken. Zijn daar hypothesen
over te formuleren dan wordt een vergelijkende studie opgezet om deze te toetsen.
Informatieverstrekking en opleiding
De behandelingen binnen de polikliniek Integrale Psychiatrie worden ondersteund door het verstrekken van schriftelijk
materiaal uit diverse bronnen van zowel de Geestelijke Gezondheidszorg, de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en
patiëntenverenigingen. Daarnaast worden patiënten verwezen naar betrouwbare, professionele schriftelijke en digitale
informatiebronnen van CAG. Tevens zal een (digitaal) informatiecentrum worden opgericht waar verwijzers, patiënten
en belangstellenden laagdrempelig relevante en betrouwbare informatie kunnen krijgen.
Om voor- en tegenstanders te informeren over ontwikkelingen op het gebied van de Integrale Psychiatrie en om een platform te
bieden waarop de controverses kunnen worden besproken en uitgewerkt, organiseert Lentis jaarlijks een congres over dit thema.
Inmiddels zijn er drie congressen gehouden. In 2006 'Het beste van twee werelden', in 2007 'Op zoek naar nieuwe mogelijkheden'
en in 2008 'Nieuwe perspectieven op lichaam en geest'.
Het grote succes van de congressen (rond de 1000 deelnemers, gerenommeerde sprekers uit binnen- en buitenland, en veel
aandacht van de media) illustreert hoe zeer het thema Integrale Psychiatrie leeft. Het vierde congres, dat op 10
maart 2010 zal plaatsvinden (Zelfhelend vermogen), is in voorbereiding.
Met betrekking tot opleidingen werken de behandelaren en onderzoekers van het Centrum mee aan de opleiding van co-assistenten,
arts-assistenten, nurse-practitioners, SPV-en, studenten psychologie en GZ-psychologen. Tevens worden regelmatig lezingen,
workshops en cursussen over integrale psychiatrie, gezondheids- en oplossingsgericht werken en mindfulness verzorgd.